Ontwikkeling

Als Stan Linssen eind jaren tachtig afstudeert, worden keramisten nog vooral gezien als pottenbakkers: ambachtslieden die uit klei schalen, vazen en potten vervaardigen. Sculpturale keramiek is nog geen zelfstandige kunstvorm, maar daar wil hij zich op toeleggen. In een atelier in Tegelen experimenteert hij samen met Sjer Jacobs, eveneens net afgestudeerd, met het maken van monumentale beelden. Na een jaar gaat ieder zijn eigen weg.

Inspirerende voorbeelden heeft hij dan al ontdekt. In 1986 maakt hij kennis met werk van José Vermeersch en Carmen Dionyse. ‘Allebei grootheden op dit terrein. Vermeersch sprak altijd van beeldbouwen, in plaats van beeldhouwen. Die term drukt precies uit wat het is: beelden worden vanaf de grond opgebouwd, al boetserend met platen en kleine beetjes klei.’ Een Inca-tentoonstelling in Brussel leidt tot een andere ontdekking: ‘Dat er zolang geleden al mensfiguren in klei werden gemaakt, verbaasde en inspireerde me tegelijkertijd.’

Aanvankelijk maakt hij vooral torenachtige beelden, maar in de loop der jaren verschijnen er steeds vaker mensfiguren in zijn werk. Reizende vogelmensen en pronkzetels met daaraan vastgehechte mensen en dieren vormen intussen een eigen universum. De beelden hebben veelal een verstild, hulpeloos, maar ook humoristisch-ironisch karakter: als mensfiguren die naar vrijheid streven, dromen en idealen koesteren, maar tegelijk onmachtig zijn om die te verwezenlijken.

De beelden van Stan Linssen zijn nooit glad, gepolijst. ‘Ze mogen er niet gelikt uitzien, er moet een zeker oudheidsgevoel uit naar voren komen. Alsof ze een geschiedenis hebben, zoals die Inca-beelden.’ De beelden worden geboetseerd en opgebouwd uit plakken klei. Ze worden voorzien van een oppervlaktelaag van engobe, onderglazuur en matglazuur, of een combinatie hiervan. De kunstenaar heeft alle vrijheid. ‘Het mooie van keramiek is dat je met huid bezig bent, je kunt blijven variëren, in tegenstelling tot brons bijvoorbeeld.’ 

 

 

home